- eenmaal
- {{eenmaal}}{{/term}}1 [één keer] once ⇒ one time2 [ooit, eens] 〈verleden〉 once; 〈toekomst〉 one day, someday3 [niets aan te veranderen] just, simply♦voorbeelden:1 eenmaal, andermaal, voor de derdemaal, verkocht • going, going, gone!als hij eenmaal op dreef is, houdt hij nooit meer op • once he gets started, there's no stopping him2 als dat nu maar eenmaal gebeurd is … • once that has happened …als het eenmaal zover komt • if it ever comes to iteenmaal komt de tijd … • (one day) the time will come …3 dat is nu eenmaal zo • that's just the way it isik houd nu eenmaal van hem • the fact is that I love himik ben nu eenmaal zo • that's the way I amzo is het leven nu eenmaal • that's lifeer wordt nu eenmaal geroddeld • people will talkzo gaat het nu eenmaal • that's the way it goeshet moet nu eenmaal gebeuren • it has to be done
Van Dale Handwoordenboek Nederlands-Engels. 2015.